Hoeveel weet u over vloeistofvullers? (II)
Methoden om de reiniging van de vloeistofvulmachine te waarborgen:
Houd de leidingen van de vloeistofvulmachine schoon. Alle leidingen, met name de leidingen die direct of indirect in contact komen met materialen, moeten schoon worden gehouden, wekelijks worden gereinigd, dagelijks worden gewassen en na elk gebruik worden gesteriliseerd; Zorg ervoor dat de vulmachine schoon is, boen en steriliseer de materiaaltank, en zorg ervoor dat de onderdelen die in contact komen met het materiaal, vrij zijn van kalkaanslag en bacteriën.
Het productieproces moet de biologische stabiliteit van de gesteriliseerde vloeistof in de fles waarborgen. Controleer de sterilisatietijd en temperatuur goed om het uiteindelijke effect te garanderen, vermijd langdurige sterilisatie of hoge temperaturen, vermindert oxidatie van de vloeistof, en na sterilisatie moet zo snel mogelijk worden afgekoeld zodat de temperatuur niet hoger dan 35℃ komt.
Er dient op te worden gewezen dat het vullen bij lage temperatuur de minimale eis is voor het vullen met vloeistof; in een koude omgeving ontstaat over het algemeen minder schuim, wat gunstig is voor het vulproces.
Vóór het gebruik van de vulmachine moet de temperatuur van de tank van de vulmachine en de transportleiding worden verlaagd met water van 0 tot 1 °C. Wanneer de vultemperatuur hoger is dan 4 °C, dient eerst afgekoeld te worden alvorens met het vullen te beginnen. Gebruik een geïsoleerde tank en constante temperatuurbewaking om ervoor te zorgen dat het product gedurende de bepaalde tijd een constante temperatuur behoudt, zodat geen instabiele werking ontstaat door te grote temperatuurschommelingen.
Daarnaast dient de vulapparatuur gescheiden te zijn van andere apparaten; het smeerpunt van de vulmachine en het gedeelte waarin het vulmateriaal zich bevindt moeten worden geïsoleerd om kruisbesmetting te voorkomen. Voor de smering van de transportband dient speciaal zeepwater of smeervet te worden gebruikt.

